Een Enkhuizer jongen beleeft in de 17e eeuw op de grote zeereizen die hij maakt gevaarlijke avonturen door storm, piraten, windstilte, slavernij en voedselgebrek; in de loop der jaren klimt hij van scheepsjongen via stuurman op tot schipper in de vloot van Piet Heyn. Vanaf ca. 13 jaar.
In de nacht van 1 februari 1953 dreigde bij Colijnsplaat - als op zovele andere plaatsen - de dijk te bezwijken onder de aanrollende golven. Twee jongens merkten dat de steunbeer, die de vloedplanken moest vasthoujden, bij elke golf bewoog! Met inspanning van al hun krachten hebben toen 30 tot 40 mensen, leunend en duwend tegen de houten wand, gedurende een eindeloos lijkende tijd de zee buiten kunnen sluiten. De redding kwam door een losgeslagen binnenvaartuig dat, als door een wonder, precies dwars voor de vloedplanken kwam te liggen. Colijnsplaat werd zo van een zekere ondergang gered.
Dit is een roman over het wel en wee van de baggeraars uit Sliedrecht. Over mensen die met moed en inventiviteit nieuwe wegen durfden te bewandelen en daarmee bijdroegen aan Nederlands wereldfaam op het gebied van de waterbouwkunde. Een boek dat laat zien waarin een klein land groot kan zijn. De titel is afkomstig van Herman de Man, die het materiaal voor dit boek verzamelde. Voor hij het manuscript gereed had kwam hij om bij een vliegramp op Schiphol (1946). Norel heeft toen op zich genomen het boek te voltooien.
Trillende evenaar speelt voor het grootste deel in Engeland. Aan de 'Battle of Britain' namen ook Nederlandse vliegers deel. Zij behoorden tot degenen van wie Churchill zei: 'Nooit hebben zó velen aan zó weinigen zó veel te danken gehad.' Zij vochten boven Londen, boven de Midlands en om de havens aan de zuidkust. Zij namen deel aan de slag om Engeland. Maar nieuwe rampen barstten los in alle delen van de wereld. In het Verre Oosten werden vele nederlagen geleden tegen de Jappen, even zwaar als in Europa tegen de Duitsers. Het was een lange periode van 'trillende evenaar'. De Nederlandse vliegers hadden moeite de moed erin te houden.
Er flitsten telegrammen met 'zeer dringend' door de ether, meer dan gisteren. De admiraliteit werd continu op de hoogte gehouden van de slag. Treffer... treffer... brand... slagzij... zware explosie... De marconist kon een tijdlang niets opmaken uit de telegrammen. In de radiohut steeg de spanning. Welke schepen waren verantwoordelijk voor de treffers, vriend of vijand? Op welk schip woedde brand? Wie had er slagzij? Uiteindelijk ontcijferde de marconist dat er een schip was gezonken. Maar welk schip? Was het de Bismarck, de Rodney of de King George V? Toen onderbrak de B.B.C. haar programma. De Brit achter de microfoon, die eerder onbewogen de overwinningen en nederlagen sinds mei 1940 had vermeld, verloor zijn zelfbeheersing. 'Bismarck has sunk! De Bismarck is gezonken!' juichte hij. 'We hebben de slag om de Atlantische Oceaan gewonnen,' constateerde kapitein Stam met voldoening. Dit fragment is ontleend aan het eerste deel van een trilogie over de Nederlandse marine en koopvaardij in de Tweede Wereldoorlog. De schrijver heeft gesproken met zeelieden, dagboeken gelezen, rapporten bestudeerd en publicaties over de marine geraadpleegd. De titels van de trilogie verwijzen naar de verschillende wachttijden op een schip: de Eerste Wacht van 20 tot 24 uur, de Hondenwacht van 0 tot 4 uur en de Dagwacht van 4 tot 8 uur.